Nog steeds wordt de televisiewereld door mannen gedomineerd. Hoewel er een verschuiving gaande is en er meer vrouwen in leidinggevende posities komen en op televisie verschijnen, gaat het langzaam. Toen ik bij DWDD werkte (2005-2016), was de man-vrouw verhouding nog veel schever - ik was de enige vrouw die een groot dagelijks programma leidde. Bij Pauw & Witteman, NOVA, het NOS Journaal, RTL Nieuws, Studio Sport, Netwerk, en later Nieuwsuur en EenVandaag, stonden mannen aan het roer. Directies van omroepen en de NPO bestonden voornamelijk uit mannen en de meeste presentatoren waren mannen. Dat gold ook voor kranten, het ANP, nieuwssites, commerciële zenders, productiehuizen: hoofdredacteuren en directeuren waren mannen.
Lange tijd dacht ik dat ik geen last had van het glazen plafond - mijn carrière ging voortvarend - en dat ik geen last had van seksisme. Dat bleek een misvatting. Hoe hoger ik kwam, des te lelijker het werd.
De weg naar de top was hobbelig. Ik botste regelmatig met mijn (overwegend mannelijke) meerderen – mijn eigenzinnigheid en directheid vielen niet bij iedereen in goede aarde. Ik raakte gewend aan die tegenwerking, aan het feit dat ik me moest aanpassen en inhouden; ik dacht dat het vooral aan mezelf lag. Na een botsing tijdens mijn eerste baan bij de publieke omroep werd me al verteld: Wil je met je gelijk thuis op de bank zitten? Omdat ik van mijn werk hield, nam ik het voor lief.
Pas veel later drong tot me door dat die tegenwerking verband hield met het feit dat ik vrouw ben. En dat ook de manier waarop ik me opstelde als leidinggevende en omging met die tegenwerking, te maken had met mijn uitzonderingspositie.
Daarnaast kreeg ik zoals de meeste vrouwen te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag – dat was er altijd, vanaf mijn eerste baantje bij de televisie tot en met mijn functie als hoofdredacteur van DWDD. Hier kom ik in een volgende post op terug.
‘Ongeduldig type’
Vanaf het moment dat ik eindredacteur van DWDD werd, kreeg ik commentaar op mijn manier van leidinggeven. Zowel binnen de VARA als in interviews kreeg ik steevast vragen en opmerkingen over mijn stijl. Er was bewondering én afkeuring. Ik merkte een groot verschil in benadering met mijn voorganger. Hij schopte tegen prullenbakken, maar daar las ik niets over in de krant; in de kop boven een profiel van mij in Het Parool stond ‘Ongeduldig type dat met deuren smijt’. Dat was de manier waarop ik in de media werd afgeschilderd. Bij het verschijnen van het stuk vroeg ik de vrouwelijke hoofdredacteur van de krant, Barbara van Beukering, waarom ze voor zo’n kop had gekozen. Ze bleek er niet over nagedacht te hebben.
In een interview dat Matthijs aan de VARAgids gaf aan het begin van het vierde seizoen — ik was net aangetreden als eindredacteur — , noemde hij mijn voorganger ‘de architect’ en mij ‘charmante meesteres’. Ik kreeg daar een ongemakkelijk gevoel bij, maar had geen idee dat dit de toon zette voor hoe ik jarenlang zou worden afgeschilderd.
Voor collega’s was het vast even wennen toen ik aan het roer kwam te staan. Eerst was ik één van hen, en opeens was ik hun baas. Ik schroomde niet om lastige beslissingen te nemen. De manier waarop er in de media over mij werd geschreven moet ook invloed hebben gehad op het beeld dat mijn collega’s van me kregen.
Als vrouwen stevig optreden, raken mensen in de war, zowel mannen als vrouwen. Janka Stoker, hoogleraar Leiderschap en organisatieverandering aan de Rijksuniversiteit Groningen, verwoordt dit treffend in De Groene van 17 mei 2023:
“[vrouwen] worden er wel meer op afgerekend als ze zich als machtigen gaan gedragen, omdat het niet past bij het stereotype beeld dat we hebben van vrouwen.’ Die stereotypen zijn sowieso een probleem waar vrouwelijke leiders mee kampen. Vrouwen zijn volgens de normen warm, zacht, communicatief en verzorgend. Mannen sterk en dominant. ‘Mannelijke stereotypen passen beter bij onze opvattingen over leiders. Met als gevolg dat als vrouwelijke leiders zich warm en communicatief opstellen, ze gezien worden als slappe leiders; nemen ze een dominante houding aan dan worden ze vaak weggezet als te overheersend en onvrouwelijk.”
Bravoure
Als kind leerde ik mezelf aan om angsten te overwinnen. Ik was ondernemend en creatief en merkte dat angst mijn vrijheid beperkte, en dat vond ik nóg vervelender dan bang zijn. Ik had bijvoorbeeld veel last van heimwee maar als je de wijde wereld in wilt, moet je dat proberen te bestrijden. Ik had een grote drang naar buiten, en omhoog. In een overmoedige bui klom ik een keer heel hoog in een boom, hoger dan de jongens uit mijn klas, om in de top pas te merken dat ik hoogtevrees had. Kom dan maar eens cool naar beneden.
Hoe eng ik het ook vond, ik liep uit de pas, aangemoedigd door Annie M.G. Schmidt, die thuis veelvuldig werd voorgelezen. Op de middelbare school droeg ik een zwart-geel gestreepte panty en zwart geverfde vintage bergschoenen onder mijn zelfgemaakte minirokje, terwijl de rest van de meisjes op flatjes liep in bandplooibroeken en pastelkleurige Lacoste en Kappa pullovers - het waren de jaren tachtig. Ik verzette me tegen de norm en middelmaat, alles wat saai was ging ik uit de weg. Ik beschikte over een behoorlijke dosis bravoure en was niet bang voor een confrontatie, ook niet met oudere jongens, docenten of managers.
Harde prestatiecultuur
Mijn voorganger bij DWDD, Van der Horst, een uitgesproken macho-man, had een harde prestatiecultuur gecreëerd onder het toeziend oog en met instemming van de VARA-directeur Frans Klein. Hij kwam uit de commerciële wereld, had voor Endemol, MTV en RTL Boulevard gewerkt; bij de VARA was hij een vreemde eend in de bijt. Van de weeromstuit noemde Matthijs, die zijn doorbraak aan hem te danken had en dol op hem was, hem ‘een typische gymnasiast’. Kennelijk moest er toch een intellectueel stickertje op om het beeld te laten kloppen.
Al snel merkte ik hoe taai zo’n bestaande cultuur is, hoe snel je wordt meegetrokken in patronen die je zelf niet gekozen hebt. Het lukte mij bijvoorbeeld niet om de dagelijkse druk op het team te verminderen. Matthijs was Van der Horst gewend en hoewel hij het niet expliciet zei, verwachtte hij van mij hetzelfde stevige leiderschap. Ik wist ook niet beter dan dat het programma op deze manier werd geleid. De verwachtingen waren hoog, het succes van het programma groot, en dat moest worden voortgezet. Voor Frans Klein telden twee dingen: het programma moest goed gaan en Matthijs tevreden zijn. Destijds had ik nog niet door dat het laatste het belangrijkste was.
Overal in de televisiewereld zag ik dezelfde dynamiek: hard werken onder hoge druk, een grote loyaliteit van medewerkers en een duidelijke hiërarchie waarbij presentatoren de koningen waren. De eerste presentator met wie ik werkte, Karel van de Graaf, gedroeg zich al zo. Het was zo normaal dat we niet inzagen hoe ongezond die werksfeer was. Dat het structureel was, werd pas vele jaren later goed zichtbaar door rapporten over NOS Sport (2023), de NPO (2024) en de NTR (2025).
Een groot verschil met andere programma’s was dat DWDD om Matthijs draaide, hij was nauw bij de inhoud betrokken. We vormden een tandem en leidden het programma samen, maar de machtsverhouding was ongelijk: hij was onaantastbaar, ik niet. Dat maakte mijn positie zeer kwetsbaar. Mijn reactie daarop was keihard werken, geen fouten maken en zorgen dat hij en de directie tevreden waren.
Of Matthijs niet te veeleisend voor mij was, vroeg een vaste gast een keer aan hem toen ik ziek was. Hij ontkende en zei dat ik het moest aankunnen, dat hoorde bij mijn functie. Een hoofdredacteur was te allen tijde op de redactie, vond hij, zo had hij Het Parool aangestuurd. Hij had echter een partner die fulltime voor de kinderen zorgde. Ik combineerde alles: het programma, de kinderen en het huishouden.
Te stoer
Bij DWDD kwam mijn onverschrokkenheid goed van pas, al had het ook een keerzijde. Ik haalde voor iedereen de kastanjes uit het vuur. Als het moeilijk werd op de redactie, een gast liet zich niet overhalen, werd geroepen: ‘Dieuwke, bel jij even! ’ Of zoals Matthijs wel eens zei: ‘It’s good to be the queen’, om zich vervolgens uit de voeten te maken. Het gevolg was dat ik me te vaak opofferde omdat ik dacht dat ik stoer en sterk moest zijn.
Omdat er vaak ‘gedoe’ was rond DWDD had ik veel contact met andere hoofdredacteuren, zoals Hans Laroes, later Marcel Gelauff (NOS) en Maarten Nooter (NOS Sport). Als we bijvoorbeeld uitliepen - een live programma is lastig op de seconde af te ronden - werd de NOS boos. Het ging van hun tijd af van voorbeschouwingen van voetbalwedstrijden. Heel soms kwam de heilige start om 20.00 van het Acht uur Journaal in het gedrang.
Of RTL Nieuws werd boos omdat Sander van de Pavert een van hun presentatoren had gebruikt in een Lucky. Dan hing meteen hoofdredacteur Harm Taselaar aan de lijn. De NCRV was ooit woedend omdat we ‘Boer zoekt vrouw’ persifleerden. Gevolg: Arie Boomsma en Yvon Jaspers mochten geen sidekick meer zijn. Hoofdredacteur Philippe Remarque van de Volkskrant stuurde me een keer tijdens de aftiteling woedende SMS’jes omdat ‘die Jakhalzenlul met die baard’ in het programma had gesuggereerd dat Sinterklaas niet bestond. Nou was zijn zoontje van acht gaan twijfelen. Toen ik hem antwoordde dat we dit overlegd hadden met experts van Kijkwijzer in Hilversum antwoordde hij: ‘Fuck die deskundigen. Ik heb een treurig jongetje hier.’
Het waren allemaal mannen, bovenop de apenrots, met een behoorlijk ego die gewend waren aan een bepaalde manier van communiceren. Ik liet me niet afschrikken en diende ze stevig van repliek. Ik paste me aan hun gedrag aan. Als het vrouwen waren geweest, weet ik zeker dat het overleg heel anders zou zijn verlopen.
Het zou nog jaren duren voor er meer vrouwen in topposities in de televisiewereld zouden aantreden. Om een organisatie te veranderen zijn meer vrouwen nodig. Één vrouw in de top maakt geen verschil, die gaat zich aanpassen aan de mannelijke mores. En dat deed ik zonder dat ik het doorhad.
De mannen die mij zouden moeten steunen, lieten het vaak afweten. Ik had wel eens het gevoel dat ik in mijn eentje in de frontlinie stond en zij ergens veilig achter mij kopjes thee zaten te drinken. Als ik dan een keer met scherp schoot zeiden ze ‘oei’. Zoals die keer met Jort Kelder.
Kelder was regelmatig te gast als tafelheer of duider, maar gaandeweg maakte hij zich er steeds makkelijker vanaf. Hij bereidde zich nauwelijks voor en bovendien schoof hij steeds vaker aan bij andere programma’s. Daar sprak ik hem op aan en liet hem de keus: of je blijft exclusief voor DWDD, of we nodigen je niet meer uit. De originaliteit van het programma stond voorop en daarom waren we zuinig op vaste gasten. In februari 2016 gaf Kelder een interview aan de Telegraaf waarin hij uit het niets zei dat DWDD veel te vrouwelijk was geworden.
Een belachelijke uitspraak waar we intern erg verbaasd over waren. Een paar weken later had ik met Frans Klein, inmiddels directeur NPO, Robert Kievit, directeur BNNVARA en Matthijs een overleg in Restaurant Dauphine in Amsterdam - favoriete hang-out van mensen uit de media-, toen Kelder per toeval binnenkwam. Hij begaf zich naar onze tafel en zei dat hij het niet zo hard had bedoeld. Tot hilariteit van mijn tafelgenoten liet ik hem onmiddellijk weten niet van zijn excuses gediend te zijn: ‘Ja Jort, laat die zoete broodjes maar lekker in je tas’. Kelder droop af, zijn poging tot damage control was mislukt. De mannen lachten besmuikt, al waren ze geschrokken van mijn reactie: ‘Dat was niet zo aardig van jou, Dieuwke’. Ondertussen zei ik precies wat zij dachten, maar niet durfden te zeggen. Immers, in Hilversum kom je elkaar altijd wel weer tegen.
Als ik hard was aangepakt in de media, hoefde ik niet op steun te rekenen. Frans Klein belde niet naar een redactie om te zeggen dat dit ongepast was, dat je niet zo met zijn eindredacteur omging. Nee, hij zei dat ik dit over mezelf afriep door interviews te geven. Daarom bleef hij zoveel mogelijk uit de media. Kievit was al helemaal onzichtbaar.
Rolpatronen
Ondanks mijn stoere opstelling zat ik toch vast in oude rolpatronen. De taakverdeling tussen mij en Matthijs zou je ook traditioneel kunnen noemen. Hij focuste zich alleen op de uitzending, ik had naast een inhoudelijke-, ook een faciliterende rol: ik leidde de redactie, onderhield het contact met collega’s in Hilversum en de media, en ving voor- en na de uitzending de gasten op. Die spraken regelmatig hun verbazing uit dat Matthijs daar zelden bij was; bij andere programma’s hadden ze meer contact met de presentator. Toen ik in 2016 wegging, wilde Matthijs naast mijn mannelijke opvolger ook nog een vrouw. Voor het netwerken en de gasten.
Tijdens mijn werk dronk ik de hele dag thee. Als samensteller liep je de kamer van Matthijs in en uit, omdat ik toch thee voor mezelf haalde, nam ik ook voor hem een kop mee. Hij dronk zwarte thee met een wolkje melk en at daarbij graag koekjes, Digestives. Die doopte hij in de thee. ‘Hè, verdomme’, mompelde hij als er een stukje afbrokkelde en naar de bodem zonk. Hij dronk zoveel dat ik al snel twee koppen tegelijk voor zijn neus zette en dat ging door tot in de uitzending.
‘Ga ik hem nou elke keer van thee voorzien?’, dacht ik. Eigenlijk vond ik het wel erg ouderwets; mij bood hij nooit iets aan. Hij kwam zelden in de keuken, hooguit om een plakje worst uit de koelkast te pakken. Ik besloot om het gewoon te doen. Het had niks met ondergeschiktheid te maken, ik vond het vooral raar dat hij het zich zo liet welgevallen. Later namen andere samenstellers en de producers de gewoonte over. Er was zelfs een aparte kast op onze kamer vol met rollen Digestives, ‘de koekjes van Matthijs’.
Salariskloof
Onderhandelingen over mijn salaris verliepen altijd moeizaam. Nadat ik een paar jaar met succes leiding gaf aan DWDD vroeg ik om een salarisverhoging. Frans Klein had me wel eens een bonus gegeven maar dit keer wilde ik een structurele verhoging. Mijn salaris kwam niet in de buurt van dat van mijn voorganger, die bijna drie keer zoveel toucheerde. Na een half jaar van moeizame gesprekken met Frans Klein stuurde hij hoofd Personeelszaken naar Amsterdam. De langverwachte verhoging: 300 euro bruto per maand.
Ik zag dat zij zich daar ongemakkelijk bij voelde. Terecht. Mijn salaris stond niet in verhouding tot mijn verantwoordelijkheden, de complexiteit van mijn functie, de druk, de grootte van het team dat ik leidde en het afbreukrisico. Er was geen ruimte meer in de schaal waar ik als eindredacteur in viel, legde ze uit. In diezelfde schaal zaten ook eindredacteuren van programma’s als ‘Twee voor Twaalf’ en ‘Vroege Vogels’: geen dagelijkse live programma’s met een miljoenenpubliek.
Tijdens mijn onderhandelingen zou Matthijs me helpen, had hij beloofd, in plaats daarvan liet hij het volledig afweten. Ik stond er alleen voor en de strijd met de directie verhardde zich. Uiteindelijk kreeg ik waar ik om vroeg. Achteraf zei Matthijs: ‘Nou, daar heb je geen vrienden mee gemaakt.’
De (af)rekening
Van jongs af aan werd er veel van mij verwacht. Ik moest hard werken, goed presteren en volhouden. Niemand zei het letterlijk, maar de boodschap was helder. Mijn vader had op artistiek gebied grote ambities, al kwamen die tot zijn spijt nooit helemaal uit. Zijn stopwoord was ‘buitengewoon’, en dat moesten mijn broer en ik dus ook zijn. Mijn moeder was gewend om als jonge meid voor haar tien broers en zussen te zorgen en later als verpleegkundige op de Eerste Hulp en de operatiekamer te excelleren. Uitzonderlijk zijn, volhouden en hard werken - in combinatie met mijn enthousiasme, energie en loyaliteit - vormden een krachtige mix die mij tot grote hoogten zou stuwen. Uiteindelijk keerde deze mix zich tegen mij. Eerst werd ik ernstig ziek. Later, na de publicatie in de Volkskrant, volgde een jarenlange stroom van beschuldigingen in de media.
Achteraf besef ik dat mijn ambitie en bravoure niet alleen voortkwamen uit mijn karakter en opvoeding, maar ook werden aangewakkerd door de mannenwereld waarin ik opereerde en me in staande probeerde te houden. Dat heeft ongetwijfeld invloed gehad op hoe ik me gedroeg. Soms ging ik te kort door de bocht en hield ik te weinig rekening met de gevoelens van anderen.
Mijn generatie was zo’n beetje de eerste waarin vrouwen fulltime banen en gezinnen combineerden. Daarvoor moest je stevig in je schoenen staan, al helemaal als je opereerde in een door mannen gedomineerde werkomgeving zoals de mediawereld. Sommige vrouwen spraken bewonderend over mij; Claudia de Breij, Jessica van Geel en Halina Reijn noemden mij ‘een rolmodel’.
De prijs die ik daarvoor betaalde was echter hoog want jaren na mijn vertrek bij DWDD kwam de afrekening. Met regelmaat worden vrouwen in leidinggevende posities voor de bus gegooid: denk aan Khadija Arib, Nilüfer Gündogan, en recent Birgit Donker. Dat stemt niet erg hoopvol.
Tegenwoordig wordt beter naar de werkcultuur gekeken, en dat is maar goed ook. Vrouwen zijn al meer vertegenwoordigd in de media dan tien jaar geleden. Die verandering heb ik gemist. Ik had graag gewild dat het anders was geweest, dat ik beter begeleid was, meer steun had gekregen vanuit de omroep en dat ik meer vrouwelijke collega’s had gehad. Dat ik had geleerd om mijn eigen grenzen beter in de gaten te houden, en die van anderen.
Disclaimer:
Je Mist Meer Dan Je Ziet bevat persoonlijke ervaringen en meningen. Namen en details zijn aangepast om privacy te beschermen. Dit is geen feitelijke weergave van gebeurtenissen, maar een persoonlijk verslag dat bijdraagt aan inzichten in-, en het debat over werkcultuur in de media.






